Gestapeld geluk

Woontorens vormen een oplossing voor de verdichting van de stad. Maar hoe maak je van een honderd meter hoge blikvanger een plek waar mensen prettig wonen en zich met elkaar verbonden voelen? Daarvoor is meer nodig dan een fraai ontwerp. Hoogbouw vraagt om een ander soort benadering. Het begint met de plint.

De verwachting is dat de groei van de bevolking zich de komende decennia concentreert in steden. Om die verdichting mogelijk te maken, is bouwen in de hoogte een logische keuze. Met een woontoren – van hoogbouw is sprake vanaf 70 meter – kun je een grote hoeveelheid woningen toevoegen aan een gebied. Je maakt effi ciënter gebruik van publieke voorzieningen als openbaar vervoer, elektriciteit en warmtenet. Het kan ook de levendigheid in een gebied bevorderen. In een normale woonwijk heb je negentig mensen per hectare. Te weinig om de investering in horeca, winkels of een school te rechtvaardigen. Bij hoogbouw heb je veel meer mensen die dezelfde ruimte gebruiken. Er is ook een keerzijde. Uit onderzoek blijkt dat het in hoogbouw lastiger is om sociale contacten te leggen en verbondenheid te voelen met de gemeenschap. Als je op verschillende verdiepingen woont, ontmoet je elkaar minder snel. En het contact met de straat gaat vanaf de vijfde verdieping verloren. Vanaf die hoogte kun je niet meer praten met iemand die beneden staat. Het uitzicht wordt belangrijker dan wat er op straat gebeurt.

Sociale Cohesie Hoogbouw Bpd Bouwfonds Gebiedsontwikkeling ©Aad Goudappel
Bankje

Charlot Schans, stadssocioloog en bestuurslid van Stichting Hoogbouw, hamert op het thema sociale kwaliteit. Die focus is niet vanzelfsprekend. Bij woontorens was de aandacht in het verleden vaak vooral gericht op het creëren van een imposante skyline. De menselijke maat verdwijnt dan uit beeld, vindt Schans. ‘Het uitzicht is het belangrijkste pluspunt van een woontoren. Maar als alle aandacht daarnaar uitgaat, komt de rest van het gebouw er bekaaid af. Als de binnenkant uit sfeerloze gangen bestaat, loop je alleen maar zo snel mogelijk van de lift naar je prachtige appartement. Geen omgeving die erom vraagt een gesprek met je buurman aan te knopen. Dat voorkom je onder meer met woonstraten op hoogte waar daglicht binnenvalt. Met daglicht maak je er een publieke ruimte van. Bewoners zetten er een bankje neer. De bewustwording hiervoor neemt wel toe. Ik zie het ook steeds vaker terugkomen in tenders van gemeenten.’

Hoe je van zo’n toren een gemeenschap maakt, dat is de zoektocht waar we in zitten

Vroegtijdige communitybuilding

De inrichting van gedeelde ruimtes in woontorens staat volop in de belangstelling. In de Verenigde Staten zijn er zeldzame maar inspirerende voorbeelden van woontorens met een urban farm in de publieke ruimte. De farmer in residence wordt betaald uit de servicekosten en helpt bewoners bij het werken in de gemeenschappelijke moestuin. Ook een sauna of zwembad zijn tegenwoordig opties in een woontoren. Dat is niet alleen voorbehouden aan het luxe segment. Als het aantal bewoners groot genoeg is, kan dat ook gerealiseerd worden in een toren met minder dure appartementen. Meer voor de hand liggende keuzes zijn gedeelde keukens en werkplaatsen waar bijvoorbeeld workshops kunnen worden gehouden. Een communitymanager is essentieel om gedeelde ruimtes in een woontoren goed te laten functioneren. Wanneer ook bewoners betrokken zijn bij het communitymanagement, neemt de effectiviteit verder toe, blijkt uit onderzoek. Maar bewonersparticipatie is niet de enige succesfactor. Minstens zo belangrijk is dat collectieve ruimtes vanaf het begin een integraal onderdeel zijn van het ontwerp. Een gezamenlijke huiskamer die wordt weggestopt op de minst aantrekkelijke locatie in het gebouw schiet het doel voorbij.

Ooghoogte

In haar rol als adviseur bij complexe gebiedsontwikkeling spreekt Schans veel met omwonenden die zich zorgen maken als plannen voor hoogbouw worden gepresenteerd. ‘Ik kan ze soms geen ongelijk geven. Als wijkbewoner beleef je zo’n gebouw vooral op ooghoogte. De bewoners van die toren zie je niet. Je ziet alleen jezelf weerspiegeld in de glimmende ramen. Als je pech hebt, is ook de zon uit je achtertuin verdwenen. Veel van die weerstand neem je weg als je op straatniveau uitgedaagd wordt met variatie, zoals verspringende gevels met om de vier meter een deur. En als er is nagedacht over voorzieningen waar niet alleen de nieuwe bewoners, maar ook de buurt wat aan heeft . Vaak wordt in plannen een supermarkt of een gym opgenomen, want dat is het meest lucratief. Maar zeker als er meerdere woontorens worden gebouwd, is een buurtkamer een goede optie.’ In Den Haag concentreert de hoogbouw zich rond treinstations. Bij station Holland Spoor en station Den Haag Centraal worden torens gebouwd van minimaal 70 meter hoog. Dat is niet toevallig, vertelt Richard Koek, stedenbouwkundige van de gemeente Den Haag. ‘Mensen vinden hoogbouw aantrekkelijk vanwege het uitzicht en de kwaliteit van de voorzieningen. Daarom stellen we in onze hoogbouwnota dat een toren niet op zichzelf moet staan. Zo'n vrijstaande toren heeft als nadeel dat de plint al snel wordt gevuld met fi etsenstallingen, parkeergarages en technische installaties. Maar: een plint van een woontoren die deel uitmaakt van een bouwblok biedt veel meer mogelijkheden. Er is ruimte voor publieke functies op de begane grond, een royale entree en minder windoverlast. Dat verschil begint bij het ontwerp en bij de keuze om de toren te zien als onderdeel van een groter geheel.’

Sociale Cohesie Hoogbouw Bpd Bouwfonds Gebiedsontwikkeling ©Aad Goudappel
Kinderschoenen

Verreweg de meeste woontorens in Den Haag zijn nog in ontwikkeling. Wat nog in de kinderschoenen staat, is hoe je van zo’n toren een gemeenschap maakt. Koek: ‘Dat is de zoektocht waar we in zitten. We hebben vorig jaar een tevredenheidsonderzoek gedaan in een aantal torens. Onder meer in hoge torens die toen al drie jaar bewoond waren. Daar hadden de bewoners klachten over een gebrek aan sociale cohesie, maar de omgeving was op dat moment ook nog niet ingericht.’ Koek laat tijdens een bespreking met een corporatie of belegger soms een foto zien van een gang van 1,20 meter breed en allemaal grijze deuren. ‘Dan vraag ik of dat is wat ze willen. Daar gaan we dan over in gesprek.’ Wie een toren binnenloopt, moet zich welkom voelen. Koek noemt het een customer journey. ‘Je wilt geen kale entreehal met brievenbussen. Je wilt een lobby met een buurtbibliotheek, een coworkingspace of een wasbar met professionele wasmachines. Handig voor een of tweepersoonshuishoudens en het creëert een ontmoetingsplek waar mensen gaan zitten met een kop koffi e tot de was klaar is.’ Hij geeft een opsomming van ontwerpkeuzes die de monotonie doorbreken. Verdiepingen die zich van elkaar onderscheiden door afwijkende kleuren en materiaalgebruik, zodat je als bewoner nieuwsgierig wordt naar de rest van het gebouw. Royale galerijen helpen ook, al beperkt die impact zich tot het lagere deel van het gebouw. ‘Vanaf de twaalfde verdieping wil je geen galerij. Want daar waai je vanaf.’ Het is in ieder geval belangrijk om in en om het gebouw groen te hebben. Dat inspireert. Bijvoorbeeld in de vorm van een daktuin. Kleine details kunnen het verschil maken, zoals een voordeur die veertig centimeter naar binnen springt zodat je een nis hebt voor je deur. ‘Dat geeft een gevoel van thuiskomen.’

Het moet wel goed gebeuren, anders bouwen we torens van eenzaamheid

Liever de stad in

De overgang in de Vinex-wijken van laagbouw naar hoogbouw vraagt om een andere kijk op leefomgevingen. De oude regels zijn niet automatisch van toepassing. Zo is het in een toren van 25 verdiepingen met op iedere verdieping een gemeenschappelijke ruimte niet vanzelfsprekend dat die ruimtes worden gebruikt. Vooral jonge bewoners gaan liever de stad in om mensen te ontmoeten. Ze gedragen zich anders dan bewoners van een Vinex-locatie. Het heeft ook met de afmetingen van het gemiddelde appartement te maken. Niet voor niets speelt in Japan, waar hoogbouw in de stad de norm is, het sociale leven zich vooral buitenshuis af. In het achttien verdiepingen tellende gebouw Fresh in Eindhoven is om die reden vooraf gevraagd hoe bewoners de communityruimte met dakterras op de bovenste verdieping willen gebruiken. Ook is voor de oplevering een bijeenkomst georganiseerd om bewoners kennis met elkaar te laten maken. De Zwitsers-Franse architect Le Corbusier ontwierp in de jaren vijft ig de verticale tuinstad. Een twaalf verdiepingen tellend gebouw op kolommen met brede corridors, een verdieping met winkels en voorzieningen als een daktuin, een zwembad, kinderopvang en een sportzaal. De Unité d'Habitation, zoals het gebouw in Marseille heet, is een bedevaartsoord voor iedere stedenbouwkundige. Ook Eric van der Kooij, conceptontwikkelaar bij BPD, heeft het bezocht. Mensen willen er nog steeds graag wonen, maar veel van de collectieve voorzieningen hebben inmiddels een andere bestemming, viel hem op. Daarom zweert hij bij de plint als hub voor sociaal verkeer. ‘Als een faciliteit niet aansluit bij de behoeft e, kun je die makkelijk vervangen. Een fitnesscentrum of een restaurant ombouwen op de elfde verdieping is een kostbare onderneming.’

Zijn de bewoners bereid zich in te zetten voor de gemeenschap in het gebouw?’

Zoals elk dorp een marktplein heeft , zo moet elke woontoren een plint hebben die dezelfde functie vervult. Hoe dat moet, zie je in een hotel. Van der Kooij: ‘Hotels maken van hun lobby een ontvangstruimte. Dat is een plek waar je je thuis moet kunnen voelen.’ Van der Kooij heeft een achtergrond als stedenbouwkundige en werkte twintig jaar voor de gemeente Amsterdam. In een proef om de binnenstad te ontlasten, werd aan hotels gevraagd om hun lobby open te stellen voor de buurt. Mensen mochten binnen zitten en gebruikmaken van de wifi . ‘Op die manier breng je leven in een gebouw. We zijn nu bezig met een tender waarin we onderzoeken op welke manier een ruimte in een woontoren van betekenis kan zijn voor de buurt. Kunnen we er bijvoorbeeld taallessen aanbieden?’ Wel moeten er spelregels zijn, vindt Van der Kooij. ‘Anders is het totaal oncontroleerbaar wie er binnenkomt. Je moet zowel het gastheerschap als de veiligheid borgen in het concept. Zorg voor een aanspreekpunt in het gebouw. Geen klusjesman, maar een gastheer. Voor de bovenkant van de markt zijn dergelijke concepten al normaal. Dat is een service waar mensen voor betalen. Maar eigenlijk heb je ook voor een woontoren met sociale huur en middenhuurappartementen een gastheer nodig.’

Vinger aan de pols

Wat voor type bewoner past bij de woontoren? Koek zou in de Haagse hoogbouw een dwarsdoorsnede van de bevolking willen zien. ‘We proberen een deel van het woningaanbod aan te bieden aan mensen met een beroep in het onderwijs, de zorg of bij de politie. Maar mensen moeten er ook willen wonen. Zijn ze bereid zich in te zetten voor de gemeenschap in het gebouw? Bijvoorbeeld door deel te nemen aan de appgroep? Dat wil je vooraf weten.’ Alleen een buurtapp is niet voldoende, merkt Van der Kooij op. Vlak bij het NS-station Leidsche Rijn wordt MARK gebouwd. Met drie torens van 60, 90 en 135 meter hoog wordt MARK het eerste gebouw in Utrecht dat hoger is dan de Domtoren. Van der Kooij: ‘Daar schakelen we ook een socioloog in om de zachte factoren te monitoren. Waar hebben mensen behoeft e aan? Wat zou hen helpen? Behoeft es kunnen veranderen. En er is een verschil in betrokkenheid tussen eigenaren van een appartement, die in een VvE zijn verenigd, en huurders die vaker verhuizen. Ook daarom moet je vinger aan de pols houden.’ Schans: ‘De komende decennia worden er honderden woontorens gebouwd. Dat moet wel goed gebeuren. Anders bouwen we torens voor eenzaamheid.’

BPD Magazine ontvangen?

Dit artikel verscheen in BPD Magazine. De volgende editie kosteloos op uw deurmat ontvangen?